Officieel relaas van het Vreemdelingenlegioen:
“Het Franse leger belegerde Puebla. Het Legioen had de opdracht om over een afstand van honderdtwintig kilometer de verplaatsing en veiligheid van de konvooien te verzekeren. Op 29 april 1863 vernam kolonel Jeanningros, die het bevel voerde, dat een groot konvooi met drie miljoen in contanten, belegeringsmaterieel en munitie onderweg was naar Puebla. Kapitein Danjou, zijn adjudant-majoor, haalde hem over om een compagnie uit te sturen om het konvooi tegemoet te gaan. De 3e Compagnie van het Vreemdelingenregiment werd aangewezen, maar had geen beschikbare officier. Kapitein Danjou nam zelf het bevel op zich en tweede luitenants Maudet, de vaandeldrager, en Vilain, de betaalmeester, boden zich vrijwillig aan om met hem mee te gaan.
Op 30 april vertrok de 3e Compagnie om 1.00 uur ’s nachts, bestaande uit drie officieren en tweeënzestig man. Zij had ongeveer twintig kilometer afgelegd toen zij om 7.00 uur ’s ochtends halt hield bij Palo Verde om koffie te zetten. Op dat ogenblik openbaarde de vijand zich en begon de strijd onmiddellijk. Kapitein Danjou gaf de mannen bevel een carré te vormen en sloeg, terwijl hij zich terugtrok, met succes verschillende cavaleriecharges af, waarbij hij de vijand de eerste zware verliezen toebracht.
Toen hij de herberg van Camerone bereikte, een groot gebouw met een binnenplaats omringd door een muur van drie meter hoog, besloot hij zich daar te barricaderen om de vijand vast te pinnen en zo lang mogelijk het moment uit te stellen waarop deze het konvooi zou kunnen aanvallen.
Terwijl de mannen haastig de verdediging van de herberg organiseerden, sommeerde een Mexicaanse officier, wijzend op zijn overweldigende numerieke superioriteit, kapitein Danjou om zich over te geven. Danjou antwoordde: ‘Wij hebben munitie en wij zullen ons niet overgeven.’ Vervolgens hief hij zijn hand op, zwoer zich tot de dood te verdedigen en liet zijn mannen dezelfde eed afleggen. Het was 10.00 uur ’s morgens. Tot 18.00 uur hielden die zestig mannen, die sinds de dag ervoor niet hadden gegeten of gedronken, ondanks de extreme hitte, honger en dorst, stand tegen 2.000 Mexicanen: achthonderd cavaleristen en twaalfhonderd infanteristen.
Om twaalf uur werd kapitein Danjou gedood door een kogel in de borst. Om 14.00 uur viel tweede luitenant Vilain, getroffen door een kogel in het voorhoofd. Op dat ogenblik slaagde de Mexicaanse kolonel erin de herberg in brand te steken.
Ondanks de hitte en de rook, die hun lijden alleen maar vergrootten, hielden de legionairs stand, maar velen van hen werden neergeschoten. Om 17.00 uur waren slechts twaalf mannen rond tweede luitenant Maudet nog in staat te vechten. Op dat moment verzamelde de Mexicaanse kolonel zijn mannen en zei hun welke schande zij over zich zouden brengen als zij dat handvol dappere mannen niet neerhaalden (een legionair die Spaans verstond, vertaalde zijn woorden terwijl hij sprak). De Mexicanen stonden op het punt de algemene aanval in te zetten door de bressen die zij hadden weten te openen, maar eerst stuurde kolonel Milan nog een nieuwe sommatie naar tweede luitenant Maudet; Maudet wees die met minachting af.
De laatste aanval werd ingezet. Weldra bleven nog slechts vijf mannen rond Maudet over: korporaal Maine en de legionairs Catteau, Wensel, Constantin en Leonhard. Ieder had nog één patroon over; zij bevestigden de bajonet op hun geweer en gingen in een hoek van de binnenplaats staan, met de rug tegen de muur en het gezicht naar de vijand. Op een teken vuurden zij hun geweren van zeer dichtbij op de vijand af en stormden vervolgens met de bajonet naar voren. Tweede luitenant Maudet en twee legionairs vielen, dodelijk gewond. Maine en zijn twee kameraden stonden op het punt afgeslacht te worden toen een Mexicaanse officier naar voren stormde en hen redde. Hij riep hun toe: ‘Geef u over!’
‘Wij zullen ons overgeven als u belooft onze gewonden te verzamelen en te verzorgen en als u ons toestaat onze wapens te behouden.’ Hun bajonetten bleven dreigend vooruitgestoken.
‘Aan mannen zoals u kan niets geweigerd worden!’ antwoordde de officier.
De zestig mannen van kapitein Danjou hielden hun eed tot het uiterste. Elf uur lang boden zij weerstand aan tweeduizend vijanden, doodden er driehonderd en verwondden er nog eens evenveel. Door hun offer, door het konvooi te redden, vervulden zij de missie die hun was toevertrouwd.
Keizer Napoleon III besliste dat de naam Camerone op de vlag van het Vreemdelingenregiment zou worden geschreven en dat bovendien de namen van Danjou, Vilain en Maudet in gouden letters op de muren van Les Invalides in Parijs zouden worden gegraveerd.
Bovendien werd in 1892 op de plaats van de strijd een monument opgericht. Het draagt de volgende inscriptie:
‘Zij waren hier met minder dan zestig, tegenover een heel leger; de loutere massa ervan verpletterde hen.
Het leven, meer dan de moed, verliet deze Franse soldaten op 30 april 1863. Ter hunner nagedachtenis richtte het vaderland dit monument op.’
Sindsdien presenteren Mexicaanse troepen het geweer wanneer zij voor het monument voorbijtrekken.”

